"Toen sprak God al deze woorden, zeggende: Ik ben de Heer uw God [...]. Gij zult geen andere goden voor Mijn aangezicht hebben. [...] Gij zult u voor die niet buigen, noch hen dienen; want Ik, de Heer uw God, ben een jaloerse God, Die de misdaad der vaderen bezoek aan de kinderen, aan het derde, en aan het vierde lid dergenen, die Mij haten." (Exodus 20, 1-5)
Vorige week heeft het Bundesverfassungsgericht van de Bondsrepubliek Duitsland, het Duitse grondwettelijk hof, een opzienbarende en angstwekkende uitspraak gedaan. Ouders mogen niet langer hun kinderen weghouden van lessen seksuele opvoeding op school, waar ze omwille van goede godsdienstige redenen niet mee kunnen akkoord gaan. De motivatie voor dit onrechtsoordeel wordt gevonden in de ideologie van de mensenrechten.
Het hof oordeelde in een zaak waar de ouders weigerden hun kinderen gedurende twee dagen te laten deelnemen aan schoolactiviteiten, met name een theaterproject omtrent kindermisbruik en het jaarlijkse karnavalsfeest. De ouders, protestanten van Baptistische inslag uit Westfalen vonden dit enerzijds een inbreuk op hun ouderlijke opvoedingsrechten en anderzijds een inbreuk op de godsdienstvrijheid van de ouders die de neutraliteit van de school voorop stellen inzake godsdienstbeleving.
Het hof stelde dat de tradities van de meerderheidssamenleving ook door religieuze minderheden moeten aanvaard worden, ook wanneer deze tradities niet overeenkomen met, zelfs tegengesteld zijn aan, de religieuze opvattingen van deze laatsten. Zowel de ouders als het hof - klaagden aan en oordeelden over - dit conflict op basis van de filosofie van de rechten van de mens. De ouders beriepen zich op het opvoedingsrecht van hun kinderen, de godsdienstvrijheid en de neutraliteit van de staat inzake godsdienst. Het hof beriep zich op een combinatie van grondrechten in de Verfassung, de Duitse grondwet, opgenomen. Het stelde dat aan het recht op godsdienstvrijheid geen wettelijke beperkingen mogen worden gesteld, maar dat dit recht weldegelijk door, andere, grondwettelijke bepalingen, kan worden ingeperkt. Het hof leidt hieruit af dat er een wisselwerking tussen de abstracte en theoretisch geformuleerde grond- en mensenrechten speelt, waarbij deze zich steeds concretisering in een praktisch geval. Zo is de schoolplicht in Duitsland in de grondwet ingeschreven en moet worden afgewogen tegenover het opvoedingsrecht van de ouders, en de godsdienstvrijheid. In voorkomend geval stelde het hof dat de godsdienstvrijheid en het opvoedingsrecht van de ouders niet verhindert dat de ouders tevens een tolerantie moeten hebben voor uit de Duitse schoolplicht voortvloeiende culturele praktijken die door een kwantitatieve meerderheid van de bevolking als normaal worden beschouwd. Ergo was deelname aan het theaterproject en karnavalsviering verplicht.
Enkele kanttekeningen bij dit oordeel. Het Duitse grondwettelijk hof werd in de nasleep van de Tweede Wereldoorlog, samen met de BRD, in het leven geroepen om de gebeurtenissen uit het recente verleden onmogelijk te maken. Door het instellen van een aantal grondrechten gebaseerd op het natuurrecht moesten miskenningen van de menselijke waardigheid definitief worden verhinderd. Het feit dat de nationaal-socialisten op democratische en parlementaire wijze aan de macht waren gekomen, en gebleven, en hun beleid voerden op basis van een bikkelhard en formeel legaliteitsbeginsel - dura lex sed lex - kon niet langer, dacht men. Vanaf het moment dat een toevallige meerderheid bij wijze van wet iets oplegde, was er geen ontkomen aan, wat ook de inhoud van deze wet was. Door de rechterlijke macht een inhoudelijk toetsingsrecht te geven wou men een nieuwe holocaust verhinderen waarbij een meerderheid legaal besloot om een minderheid van andersdenkenden te vernietigen. De uitspraak van het hof toont dus aan dat deze doelstelling totaal mislukt is.
Het opvoedingsrecht van de ouders is een natuurrecht bij uitstek. Door het natuurlijke feit van de biologische afstamming ontstaat er een onverbreekbare relatie tussen ouders en kinderen van wederzijdse rechten en plichten. Ik zal niet stellen dat er door derden, inclusief de overheid, nooit een inbreuk hierop kan gebeuren, maar wel dat een dergelijke inbreuk slechts in uiterst uitzonderlijke omstandigheden mag voorkomen en slechts dan in aangelegenheden die de essentie van de menselijke waardigheid raken. Een klassiek voorbeeld is bewezen seksueel misbruik door een ouder van een kind. In voorkomend geval gaat het om feiten die daar mijlenver vanaf liggen. Het natuurlijke recht van de ouders om fundamentele keuzes te maken inzake geloofsopvattingen en opvoedingsmethodes voldoet niet aan de voorwaarden, om een staatsinterventie toe te laten.
Want het Duitse hof baseert zich uitdrukkelijk op de grondwettelijke schoolplicht. Wat kan hier nu verkeerd aan zijn? Niets en alles. Er is een verschil tussen enerzijds de leerplicht en anderzijds de schoolplicht. Leerplicht is de natuurrechterlijke plicht in hoofde van de ouders om hun kinderen een minimum aan intellectueel onderwijs en praktische vaardigheden te verstrekken die noodzakelijk zijn voor hun latere overleven als zelfstandige. Het is het onderwijsverlengde van de plicht van de ouders hun kinderen van voedsel, huisvesting en bescherming tegen weer en wind te voorzien. Schoolplicht is de plicht in hoofde van de ouders en opgelegd door de overheid om kinderen verplicht naar een school te sturen om daar, collectief, te worden voorzien van intellectueel onderwijs en praktische vaardigheden. In Duitsland staat schoolplicht in de grondwet ingeschreven, maar dat is niet overal het geval. Zo geldt in België, evenals vele andere landen, de leerplicht.
De schoolplicht gaat veel verder dan de leerplicht en bevat een aantal vooronderstellingen. Bijvoorbeeld dat het onderwijs op collectieve wijze wordt georganiseerd. En bijna onlosmakelijk is hiermee verbonden dat het orgaan dat dit onderwijs voorziet zeer terughoudend moet zijn in de keuze van een normen- en waardenkader waarbinnen het zijn opdracht vervult. Juist om de collectiviteit te kunnen bedienen. Praktisch gesproken vertaalt zich dit in een kleinste gemeen veelvoud van maatschappelijke opvattingen en heersende cultuurtradities. Het hof verwijst hiernaar in zijn vonnis. Want de schoolplicht is gebouwd op de visie dat de band tussen kinderen en ouders geen voorrechten schept die voorgaan op de rechten van elk individu, zoals beschreven in de mensenrechten. In die opvatting heeft elke mens, als individu, een aantal onvervreemdbare rechten die door niemand, noch de staat en noch de ouders, hen mogen onthouden worden. De dwingende keuze om kinderen godsdienstig op te voeden komt automatisch in het gedrang op het moment dat er een maatschappelijke Kulturkampf ontstaat over de ethische en morele grondwaarden van de samenleving. Wat vandaag het geval is in onze samenlevingen waar de Verlichting elke legitieme beleving van geloof tracht te verhinderen. Door alle mensen in alle omstandigheden als absoluut gelijk te beschouwen, in kwantitatieve zin, creëert men een samenleving die enkel bestaat uit individuen, of naamloze atomen. Dat is een verkrachting van de waarheid dat elke mens absoluut gelijkwaardig is, in kwalitatieve zin. Hier zijn mensen buiten een individu, een naamloze atoom, ook onderdeel van intermediaire structuren als persoon, zoals gezinslid, familielid, streekgenoot, werkm