Soms kan het geen kwaad zaken te herhalen die we eigenlijk al wisten. Na de televisieactie voor Haïti van afgelopen week, waarbij Nederland massaal geld gaf voor doelen waarvan men mag hopen dat ze meer goeds dan slechts bewerkstelligen, werd ik weer geconfronteerd met de manier waarop we hier in Nederland over politieke macht schijnen te denken. Dat was naar aanleiding van het bericht dat minister Koenders het door Nederland gegeven bedrag zou verdubbelen. Ik heb er steeds op gelet, en overal kwam ik het in die bewoordingen tegen: ‘minister Koenders verdubbelt’. Waarom zeggen we dat zo? Juister was geweest: geef een euro en betaal er twee. Want dat is waar het op neer komt: minister Koenders geeft namens het Nederlandse volk voor elke gegeven euro een extra euro uit. De gekozen bewoordingen voor de actie van Koenders associeer ik eerder met een vader die het gedrag van zijn kind beloont, dan met een minister die het geld van de bevolking uitgeeft.
Natuurlijk zal de toezegging van Koenders formeel wel te legitimeren zijn. Er zal ergens wel een ‘potje’ zijn. Maar daar gaat het me niet om. Het gaat me om de wijze waarop we politieke macht benaderen. De manier waarop media spreken over politici als autonome dragers van macht doet de Nederlander maar weinig. Van lokale partijen die het volk maar als lastig bestempelen, tot Europese leiders die samen gezellig een president benoemen. We mogen in de praktijk niets anders zijn dan een ‘electieve aristocratie’, zoals Frank Ankersmit beweert, maar wat mij zo verbaast is dat politici zo weinig moeite doen het anders te laten lijken en de rest van Nederland zwijgt. En als er eens een minister is die benadrukt dat hij voor zijn plannen graag draagvlak onder de bevolking heeft, dan wordt er moord en brand geschreeuwd over het ‘herschrijven van de grondwet’. Natuurlijk kunnen er vraagtekens gezet worden bij de wijze waarop de mening van een zeer grote groep Nederlanders wordt gepeild, maar het parlement had fundamentele problemen met de wijze waarop Eurlings de mening van een bevolkingsgroep wilde laten meetellen.
Hoe anders is dat aan de andere kant van de oceaan. Zie bijvoorbeeld de retoriek van de vorige week gekozen Republikein in Massachussetts. De Democraten zouden de Senaatszetel van wijlen Ted Kennedy zijn gaan zien als de hunne. De campagne van Scott Brown speelde daar gretig op in en benadrukte: de zetel is van het volk. Of die bewering over de Democraten waar is of niet terzijde, het doet wat met de Amerikanen. Illustratief voor deze totaal andere mentaliteit vind ik altijd een scene in de propagandafilm Top Gun uit 1986, waarin de hoofdpersoon op zijn onverantwoordelijke gedrag als piloot wordt gewezen met de woorden: ‘You don’t own that plane, the taxpayers do!’
Dit is geen pleidooi voor een of andere vorm van directe democratie. Afstand tussen het volk en de landelijke politiek is niet slecht. Wat ik vermoed is dat er een verband is tussen de bewuste belevenis van de betekenis van een politiek ambt, en het type politiek dat gevoerd wordt. Politiek waar president Obama op dit moment voor wordt bekritiseerd, het tegen de stroom in willen omvormen van een land in een persoonlijk droombeeld, tegen de wens van grote delen van de bevolking in, ligt op de loer als politici de hen toevertrouwde macht als van zichzelf gaan beschouwen. Het lijkt me een toestand waar we in Nederland al lang in verkeren. Wie weet wat voor positieve effecten een beetje bewustzijn van de ware betekenis van het politieke ambt kan hebben.