Daniël Overgaauw schreef terecht over het 'wonder' dat zich onlangs voltrok op de redactieburelen van onze vaderlandse media ten aanzien van de 'onthulling' van theologe Van Wolde dat God in den beginne niet geschapen maar gescheiden zou hebben. Hij haalde daarbij een column uit het Friesch Dagblad aan. Nu stond daar een vreemde, maar modieuze opmerking in. "Waar wij vanuit ons hellenistisch filosofisch vooroordeel bij het woord scheppen direct denken aan een creatio ex nihilo - een schepping uit het niets - [..]
daar laat de bijbel ons iets anders zien."
Sedert enkele decennia is het in christelijke kringen modieus om op afkeurende wijze te spreken over Griekse invloeden in het christendom. Griekse invloeden zouden immers het zicht op de Israëlitische wortels van het christendom onttrekken. Een samenhang met de universele post-Holocaust preoccupatie met het Joodse volk doet zich vermoeden. Die preoccupatie uit zich bijvoorbeeld ook in het spreken van ons 'joods-christelijk' erfgoed, in plaats van het simpelweg te benoemen als wat het is: christelijk erfgoed. Maar dat terzijde, in het radicale 'Ad fontes!' van deze nieuwe beeldenstormers moet alles wat Grieks voorkomt sneuvelen.
Ik heb daar drie ernstige bedenkingen bij. Ten eerste is het natuurlijk niet fair om de Grieken maar te beschuldigen van alles wat eventueel niet zint, de (antieke) Grieken kunnen zich immers niet meer verdedigen. Ten tweede, en dat is voornamer, hebben - toch niet de minste - kerkvaders gemeend bepaalde delen van het Griekse denken te moeten integreren in het christelijke denken. Zouden we zulke denkbeelden dan niet op zijn minst op merites moeten beoordelen en toetsen aan de Schrift in plaats van die radicaal op de stenen stuk te slaan vanwege hun herkomst? Het lijkt me toe dat wie stelt dat de antieke Grieken niets hebben bij te dragen aan het denken, racistisch vooringenomen is. Mijn derde bedenking, en dit is de kern van mijn betoog, is dat deze woede die zich van sommige christenen, meest protestanten, meester maakt om het christendom te ontdoen van Griekse invloeden, niet discrimineert. En bij het scheiden van het koren en kaf is discriminatie toch van essentieel belang. De eerder genoemde column in het Friesch Dagblad laat zien dat ook verméénde Griekse invloeden mikpunt kunnen worden van deze beeldenstorm. Zo stelt ds. Stavenga dat de notie van 'schepping uit niets' wordt ingegeven door een "hellenistisch filosofisch vooroordeel".
Nu leert de Griekse filosofie erg veel en kent zij diverse scholen, maar om te doen voorkomen dat zij schepping uit niets leert is op z'n best wat slordig. Leert de Griekse filosofie immers niet juist, dat alles voorkomt uit eeuwige stof? Die eeuwige stof is wat overblijft wanneer alles wordt gereduceerd tot de kern. Het lijkt er dus op dat juist de idee dat God in den beginne niet schiep maar scheidde, een voorbeeld is van Grieks denken. Zij die stellen dat God niet schiep maar slechts scheidde stellen daarmee de stof, de materie aan het begin van alles en zijn daarmee in feite materialisten. De Heilige Schrift geeft een ander beeld, in Genesis is er namelijk meteen sprake van zowel materie als geest. De aarde was woest en vormeloos en de Geest van God zweefde boven de wateren.
Wanneer we de schepping uit niets in twijfel trekken, trekken we aan de onderste kaart in een kaartenhuis. Want het is omdat God uit niets kan scheppen, dat Hij een nieuw hart kan scheppen in een zondaar, dat er opstanding is uit de dood. Zoals God sprak en er licht was, zo brengt ook vandaag nog het Woord licht in het duister. 'Scheiding van iets' verdraagt zich derhalve in tegenstelling tot 'schepping uit niets' niet met de Heilige Schrift in zijn geheel. En men hoeft toch zeker een theoloog niet uit te leggen dat de context er toe doet?