Karel Dillen zaliger - die na het verraad van de Volksunie aldaar het licht uitdeed en de waakvlam van het Vlaams Blok ontstak - maakte de woorden van de Franse denker Charles Maurras tot de zijne toen hij in tempore non suspecto het volgende neerschreef: "Le désespoir en politique est une sottise absolue." [1] Wijze woorden die vandaag maar al te vaak vergeten worden.
De media heeft dan ook een vette kluif aan het publieke gebekvecht onder mandatarissen dat zich het laatste jaar heeft afgespeeld in de partij die vandaag de erfenis van Karel Dillen uitvoert. Politieke vijanden allerhande wrijven zich dagdagelijks in de handen en verkondigen luidop hun stoutste dromen. De partij is ten dode opgeschreven en dat wordt gevierd.
Los van het ergerlijke feit dat dergelijke publieke biechten meer schade aanrichten dan goeds veroorzaken is het triestig te moeten vaststellen dat vooraanstaande mandatarissen slachtoffer geworden zijn van wanhoopsdenken en als gevolg daarvan aan een stevig potje paniekvoetbal zijn begonnen. Waar jarenlang elke aanval van buitenaf steevast werd afgeketst als peilen op een schild, liggen de zaken vandaag anders. Na een objectieve terugval in stemmen - en dus gekoesterde zitjes allerhande - bij de laatste verkiezingen voor kamer, senaat en Vlaams parlement is menig sterkhouder van de partij in een spiraal van negativisme beland. Deze hebben het vertrouwen in het eigen grote gelijk verloren en hebben geabdiceerd voor de diagnoses en remedies van de vijand. Met behulp van de media worden deze de wereld ingespuwd met als enige bedoeling de vernietiging van de partij te bewerkstelligen.
Dat mensen af en toe een moeilijk moment meemaken - waarbij men aan zichzelf begint te twijfelen en een aantal zaken in vraag stelt - is de natuurlijkste zaak van de wereld. Indien men dit nog nooit heeft voorgehad stelt zich pas een ernstig probleem. Maar het is evenzeer de natuurlijkste zaak van de wereld dat na een periode van bezinning aan dergelijke momenten van zelfrelativisme paal en perk wordt gesteld. Want zich overgeven aan fatalisme en het noodlot is geen oplossing, maar onderdeel van het probleem.
Dissidentie - en afscheuringen - zijn trouwens ook natuurlijke fenomenen binnen een politieke organisatie. Zelfs wat het Vlaams Belang betreft is de huidige toestand geen unicum, maar een quasi exacte herhaling van het verleden. In de jaren 1987-88 woedde er namelijk reeds een identieke twist in de partijrangen van het Vlaams Blok.
De media speelde toen eveneens een hoofdrol om de perceptie van het conflict éénduidig te sturen. Tevens was er veel gedoe omtrent het feit dat een numeriek relevante groep van partijcoryfeeën - die zichzelf trots als mannen van het eerste uur beschouwden - elkaar hadden gevonden in een afwijzingsfront van de (over)beklemtoning van de vreemdelingenproblematiek. Het ging zowel over vooraanstaande partijleden als sympathiserende Vlaams-nationalisten zoals Geert Wouters, Jaak Peeters, Gerard Slegers, Renaat Vanheusden, Erik de Lobel, Albert Denhaerynck, Bert van Boghout, Edwin Truyens, Marc Verrept, Gerard Vandamme, Gui van Gorp, Mia Brans-Dujardin, Jan Wenmeekers, Alexandra Suy en Jan Nagels .
Zij deden waar Vlaams-nationalisten in uitblinken, en richtten een Adres aan de heer Dillen, voorzitter van het Vlaams Blok. Het betrof een formeel en rationeel onderbouwd klachtencohier vol gecondenseerd denkwerk en goede bedoelingen. Hierin werd geëist dat er: "... een einde moet worden gesteld aan de overdreven klemtoon die het vreemdelingenprobleem al te lang krijgt, en dat de bewust provocerende politiek, die electoraal gericht is op de laagste volksklassen, doch het krediet van de partij in tal van milieus grondig aantast, opgegeven wordt." Verder diende de partij voor alles: "... in alle opzichten de absolute en door niets te beperken voorrang te geven aan haar Vlaams-nationale zweepfunctie." Een zweepfunctie waardoor personen: "... wier integriteit duidelijk te wensen overlaat uitdrukkelijk (moeten) geweerd worden." En dit werd als volgt geconcretiseerd: "Het optreden van de Vlaams Blokjongeren (moet) geheroriënteerd worden en worden gericht op de nationalistische vorming van de jeugd ... en (aan) het eigengereid optreden van een aantal VBJ-verantwoordelijken moet een einde worden gesteld."
Karel Dillen - toenmalig partijvoorzitter voor het leven - moest tot zijn ergernis vaststellen dat de conflicten de laatste tijd talrijker doch ook bitsiger waren geworden. [2] Nochtans was de electorale status van de partij toen niet vergelijkbaar met vandaag. De partij kwam in 1988 nog als grote overwinnaar van de gemeenteraadsverkiezingen uit de bus met circa 4 % van de uitgebrachte stemmen in Vlaanderen. Maar men had angst om toekomstige electorale winst aan zich voorbij te zien gaan. Anno 2009 wordt 15 % van de uitgebrachte stemmen als een historisch verlies geduid, wegens de terugval met een kleine 9 % van de stemmen tegenover vorige Vlaamse verkiezingen.
Vandaag wordt deze 15 % voorgesteld als een symbolisch keerpunt in het welvaren van de partij. Want het verlies is een gevolg van de oude strategie. Dit kan enkel worden verhinderd door een grondige vernieuwing en herbronning. Vernieuwing van het programma, de structuren, de mensen, de verpakking en de strategie wordt vooropgesteld. Dit vertaalt zich marketinggewijs in het schaven aan de stijl, de modernisering van het discours, de aanpassing ervan aan de omstandigheden, die het brengen van de boodschap op een wervende, positieve manier als uitgangspunt heeft en die het aanspreken van het socio-culturele middenveld van academici, opiniemakers, cultuursector en verenigingsleven tot wonderwapen voor toekomstig electoraal succes zal maken.
Eenzelfde argumentatie als in 1988 wordt vandaag gegeven als alternatieve marsrichting. Maar net zoals toen is deze nieuwe marsrichting verstandig van ver, maar ver van verstandig. Aan denkwerk en rationele overwegingen zal het niet liggen. Ze is goed doordacht, want vele intelligente mensen hebben er vele honderden uren aan gewerkt. Maar soms begint het menselijk verstand te zweven van ambitie en verliest het alle voeling met de realiteit.
Waar in 2004 nog vlotjes 24 % werd gehaald, is een dergelijke terugval met 9 % natuurlijk een pijnlijke gebeurtenis. Maar het was geen ongewone gebeurtenis. Want een partij zoals het Vlaams Belang, met haar particuliere geschiedenis, eigen missie, bijzonder opdracht en unieke functie bevindt zich in een normale toestand met circa 15 % van de stemmen, en in een abnormale toestand met circa 24 % van de stemmen. Het verzamelen van 24 % van de stemmen is bijzonder aangenaam en kan nuttig zijn. In het bijzonder voor de mannen en vrouwen die hierdoor hun intrede kunnen doen in de vele assemblees die ons landje rijk is en hun ambities beantwoord zien. En ook voor de talloze medewerkers die als gevolg hiervan extra kunnen worden aangeworven en hun gezinnen kunnen onderhouden. Maar om de wez